Zoek songteksten

Songteksten Vertalen

Zoek vertaling

A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z | 0 | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9

Artiest: Pardoner - Songtitle: Pardoners Tale

Je bekijkt nu de songtekst en vertaling: Pardoner - Pardoners Tale ? Hieronder vindt je de songtekst met vertaling naast elkaar weergegeven! Benieuwd naar het liedje en de betekenis van Pardoners Tale? Bekijk de Nederlandse vertaling. Op onze website vindt je veel meer songteksten met vertalingen van Pardoner! Bekijk ons archief en de andere songteksten, klik bijvoorbeeld op de letter P van Pardoner en zie welke nummers wij nog meer van Pardoner in ons archief hebben staan zoals Pardoners Tale.


Origineel

THE PROLOGUE TO THE PARDONER'S TALE

Radix malorum est Cupiditas: Ad Thimotheum, sexto.

"Masters," quoth he, "in churches, when I preach,
I am at pains that all shall hear my speech,
And ring it out as roundly as a bell,
For I know all by heart the thing I tell.
My theme is always one, and ever was:
'Radix malorum est cupiditas.'
"First I announce the place whence I have come,
And then I show my pardons, all and some.
Our liege-lord's seal on my patent perfect,
I show that first, my safety to protect,
And then no man's so bold, no priest nor clerk,
As to disturb me in Christ's holy work;
And after that my tales I marshal all.
Indulgences of pope and cardinal,
Of patriarch and bishop, these I do
Show, and in Latin speak some words, a few,
To spice therewith a bit my sermoning
And stir men to devotion, marvelling.
Then show I forth my hollow crystal-stones,
Which are crammed full of rags, aye, and of bones;
Relics are these, as they think, every one.
Then I've in latten box a shoulder bone
Which came out of a holy Hebrew's sheep.
'Good men,' say I, 'my words in memory keep;
If this bone shall be washed in any well,
Then if a cow, calf, sheep, or ox should swell
That's eaten snake, or been by serpent stung,
Take water of that well and wash its tongue,
And 'twill be well anon; and furthermore,
Of pox and scab and every other sore
Shall every sheep be healed that of this well
Drinks but one draught; take heed of what I tell.
And if the man that owns the beasts, I trow,
Shall every week, and that before cock-crow,
And before breakfast, drink thereof a draught,
As that Jew taught of yore in his priestcraft,
His beasts and all his store shall multiply.
And, good sirs, it's a cure for jealousy;
For though a man be fallen in jealous rage,
Let one make of this water his pottage
And nevermore shall he his wife mistrust,
Though he may know the truth of all her lust,
Even though she'd taken two priests, aye, or three.
"'Here is a mitten, too, that you may see.
Who puts his hand therein, I say again,
He shall have increased harvest of his grain,
After he's sown, be it of wheat or oats,
Just so he offers pence or offers groats.
"'Good men and women, one thing I warn you.
If any man be here in church right now
That's done a sin so horrible that he
Dare not, for shame, of that sin shriven be,
Or any woman, be she young or old,
That's made her husband into a cuckold,
Such folk shall have no power and no grace
To offer to my relics in this place.
But whoso finds himself without such blame,
He will come up and offer, in God's name,
And I'll absolve him by authority
That has, by bull, been granted unto me.'
"By this fraud have I won me, year by year,
A hundred marks, since I've been pardoner.
I stand up like a scholar in pulpit,
And when the ignorant people all do sit,
I preach, as you have heard me say before,
And tell a hundred false japes, less or more.
I am at pains, then, to stretch forth my neck,
And east and west upon the folk I beck,
As does a dove that's sitting on a barn.
With hands and swift tongue, then, do I so yarn
That it's a joy to see my busyness.
Of avarice and of all such wickedness
Is all my preaching, thus to make them free
With offered pence, the which pence come to me.
For my intent is only pence to win,
And not at all for punishment of sin.
When they are dead, for all I think thereon
Their souls may well black-berrying have gone!
For, certainly, there's many a sermon grows
Ofttimes from evil purpose, as one knows;
Some for folks' pleasure and for flattery,
To be advanced by all hypocrisy,
And some for vainglory, and some for hate.
For, when I dare not otherwise debate,
Then do I sharpen well my tongue and sting
The man in sermons, and upon him fling
My lying defamations, if but he
Has wronged my brethren or- much worse- wronged me.
For though I mention not his proper name,
Men know whom I refer to, all the same,
By signs I make and other circumstances.
Thus I pay those who do us displeasances.
Thus spit I out my venom under hue
Of holiness, to seem both good and true.
"But briefly my intention I'll express;
I preach no sermon, save for covetousness.
For at my theme is yet, and ever was,
'Radix malorum est cupiditas.'
Thus can I preach against that self-same vice
Which I indulge, and that is avarice.
But though myself be guilty of that sin,
Yet can I cause these other folk to win
From avarice and really to repent.
But that is not my principal intent.
I preach no sermon, save for covetousness;
This should suffice of that, though, as I guess.
"Then do I cite examples, many a one,
Out of old stories and of time long gone,
For vulgar people all love stories old;
Such things they can re-tell well and can hold.
What? Think you that because I'm good at preaching
And win me gold and silver by my teaching
I'll live of my free will in poverty?
No, no, that's never been my policy!
For I will preach and beg in sundry lands;
I will not work and labour with my hands,
Nor baskets weave and try to live thereby,
Because I will not beg in vain, say I.
I will none of the apostles counterfeit;
I will have money, wool, and cheese, and wheat,
Though it be given by the poorest page,
Or by the poorest widow in village,
And though her children perish of famine.
Nay! I will drink good liquor of the vine
And have a pretty wench in every town.
But hearken, masters, to conclusion shown:
Your wish is that I tell you all a tale.
Now that I've drunk a draught of musty ale,
By God, I hope that I can tell something
That shall, in reason, be to your liking.
For though I am myself a vicious man,
Yet I would tell a moral tale, and can,
The which I'm wont to preach more gold to win.
Now hold your peace! my tale I will begin."
HERE ENDS THE PROLOGUE

Vertaling

De proloog AAN DE PARDONER's Tale

Radix malorum est cupiditas: Ad Thimotheum, sexto.

"Meesters," quoth hij, "in kerken, toen ik predik,
Ik ben op pijnen die al zal mijn toespraak te horen,
En bellen het uit als ronduit als een klok,
Want ik weet al uit mijn hoofd wat ik zeg.
Mijn thema is altijd een, en ooit was:
'Radix malorum est cupiditas.'
"Eerst kondig ik de plaats waar ik ben gekomen,
En dan laat ik mijn gratie, allemaal en wat.
seal Onze liege-Heer op mijn patent perfect,
Ik laat zien dat voor het eerst, mijn veiligheid te beschermen,
En dan is er geen man is zo vet, geen priester noch bediende,
Wat mij betreft verstoren heilige werk van Christus;
En na dat mijn verhalen ik marshal allemaal.
Aflaten van de paus en de kardinaal,
Van de patriarch en de bisschop, die ik doe
Show, en in het Latijn spreken sommige woorden, een paar,
Te animeren daarmee een beetje mijn sermoning
En roer mannen om toewijding, bewonderen.
laat ik dan weer mijn holle kristallen-stenen,
Die worden volgepropt lompen, aye, en van de botten;
Relikwieën zijn deze, als ze denken, een ieder.
Dan heb ik in Latten doos een schouder bot
Die kwam uit een heilige Hebreeuwse schapen.
"Goede mensen, 'zeg ik,' mijn woorden in het geheugen te houden;
Als dit bot wordt gewassen in een put,
Dan als een koe, kalf, schaap of rund moet zwellen
Dat is gegeten slang, of door slang gestoken,
Neem water van die goed en was zijn tong,
En 'twill zijn goed anon; en bovendien,
Van pokken en schurft en elk ander pijnlijke
Zal elk schaap genezen worden dat van deze goed
Drankjes maar één ontwerp; oppassen wat ik zeg.
En als de man die de eigenaar is van beesten, ik trow,
Zal elke week, en dat voordat hanengekraai,
En voor het ontbijt, drink daarvan een ontwerp,
Als dat Jood geleerd van weleer in zijn priesterschap,
Zijn beesten en al zijn winkel zal vermenigvuldigen.
En, goede heren, het is een remedie voor jaloezie;
Want hoewel een mens gevallen in jaloerse woede,
Laat één merk van dit water zijn moes
En nooit meer zal hij zijn vrouw wantrouwen,
Hoewel hij de waarheid van al haar lust wellicht weet,
Hoewel ze had twee priesters, aye, of drie genomen.
'' Hier is een want, ook dat je kunt zien.
Wie legt zijn hand erin, zeg ik nogmaals,
Hij zal zijn toegenomen oogst van zijn graan,
Nadat hij heeft gezaaid, of het nu van tarwe of haver,
Net zo heeft hij pence of aanbiedingen gries.
'' Goede mannen en vrouwen, een ding dat ik u waarschuwen.
Indien iemand hier in de kerk op dit moment
Dat is gedaan een zonde zo afschuwelijk dat hij
Durf niet, schaamte, van die zonde shriven zijn,
Of een vrouw, zijn ze jong of oud,
Dat maakte haar echtgenoot in een hoorndrager,
Zulke mensen zullen geen macht en geen genade hebben
Aan te bieden aan mijn relieken in deze plaats.
Maar wie vindt zichzelf zonder een dergelijke schuld,
Hij zal komen en bieden, in Gods naam,
En ik zal hem vrijspreken door gezag
Dat is, door de stier, is verleend tot mij. '
"Door deze fraude hebben won ik me, van jaar tot jaar,
Een honderdtal merken, sinds ik pardoner geweest.
Ik sta op als een geleerde in de preekstoel,
En als de onwetende mensen helemaal niet zitten,
Ik predik, zoals je hebt me hoorde zeggen vóór,
En zeg honderd valse japes, meer of minder.
Ik ben op pijn, dan, om te strekken mijn nek uit,
En oost en west op de folk I Beck,
Zo ook een duif die zit op een schuur.
Met handen en snelle tong, dan doe ik zo garen
Dat het een genot om mijn drukte te zien.
Van hebzucht en van al die boosheid
Is al mijn prediking, waardoor ze vrij te maken
Met Aangeboden pence, de pence die bij mij komen.
Voor mijn bedoeling is alleen pence om te winnen,
En helemaal niet voor de straf van de zonde.
Als ze dood zijn, want alles wat ik denk dat daarop
Hun zielen misschien wel zwart-berrying zijn gegaan!
Want zeker, er is veel een preek groeit
Menigmaal van het kwade bedoeling, als men weet;
Sommige mensen voor het plezier en voor vleierij,
Te worden bevorderd door alle hypocrisie,
En wat voor ijdelheid, en een aantal voor haat.
Want toen ik durf niet anders te debatteren,
Dan denk ik aan te scherpen en mijn tong en sting
De man in preken, en op hem fling
Mijn liggen beledigingen, als hij maar
Onrecht heeft aangedaan mijn broeders OR- veel worse- me onrecht aangedaan.
Want hoewel ik al gezegd zijn eigennaam,
Men weet wie ik verwijzen naar, allemaal hetzelfde,
Door tekenen maak ik en andere omstandigheden.
Zo betaal ik degenen die ons doen displeasances.
Zo spuug ik mijn gif onder tint
Van heiligheid, zowel goed en waar lijken.
"Maar in het kort mijn bedoeling ik zal kenbaar te maken;
Ik predik geen preek, met uitzondering van hebzucht.
Want op mijn thema is nog, en altijd was,
'Radix malorum est cupiditas.'
Zo kan ik predik tegen dat zelf-hetzelfde vice
Die ik genieten, en dat is hebzucht.
Maar hoewel ik schuldig zijn aan die zonde,
Toch kan ik veroorzaken deze andere mensen om te winnen
Van hebzucht en echt om zich te bekeren.
Maar dat is niet mijn voornaamste bedoeling.
Ik predik geen preek, met uitzondering van gierigheid;
Dit zou voldoende moeten zijn dat, hoewel, zoals ik denk.
"Dan doe ik citeren voorbeelden menigeen,
Uit oude verhalen en van de tijd al lang voorbij,
Voor vulgaire mensen liefdesverhalen oud;
Zulke dingen kunnen ze opnieuw vertellen goed en kan vasthouden.
Wat? Denk je dat je dat, want ik ben goed in preken
En win mij goud en zilverdoor mijn onderwijs
Ik leef van mijn vrije wil in de armoede?
Nee, nee, dat is niet mijn beleid geweest!
Want ik zal prediken en bedelen in diverse landen;
Ik zal niet werken en arbeid met mijn handen,
Evenmin manden weven en proberen daarmee te leven,
Omdat ik niet zal smeken vergeefs, zegt I.
Ik zal geen van de apostelen vals;
Ik zal geld, wol en kaas, en tarwe hebben,
Hoewel het gegeven worden door de armste pagina
Of door de armste weduwe in het dorp,
En hoewel haar kinderen omkomen van de honger.
Neen! Ik zal een goede sterke drank van de wijnstok drinken
En hebben een mooie deerne in elke stad.
Maar luisteren, meesters, met de sluiting getoond:
Uw wens is dat ik vertel jullie allemaal een verhaal.
Nu ik een ontwerp van muffe ale hebt gedronken,
Bij God, ik hoop dat ik iets kan vertellen
Dat zal, in de rede, zijn naar uw wens.
Want hoewel ik mezelf een wrede man,
Toch zou ik een moreel verhaal te vertellen, en kan,
De die ik ben gewoon om meer goud te winnen prediken.
Nu zwijg! mijn verhaal Ik zal beginnen. "
Hier eindigt het PROLOGUE